liefdadig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lief·da·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van lief en daad met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen liefdadig liefdadiger liefdadigst
verbogen liefdadige liefdadigere liefdadigste
partitief liefdadigs liefdadigers -

Bijvoeglijk naamwoord

liefdadig

  1. hulp geven uit goedheid zonder eigenbelang
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.