Naar inhoud springen

liefhebben

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
liefhebbenliefhebbend
liefhebber
liefhebberij
  • lief·heb·ben
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
liefhebben
had lief
liefgehad
onregelmatig volledig

liefhebben

  1. absoluut liefde voelen tot iemand of iets
    • Hij zingt van de vrouwen die hij heeft liefgehad. 
     Ik had lief en was de liefde weer kwijtgeraakt; ik vond een nieuwe scheppingskracht en had het gevoel ergens thuis te horen.[2]
     Wat kan men in een ander meer liefhebben dan de liefde die hij voor ons koestert? Maar in plaats van zulk een gesprek, was na Andrea's eerste ontrouw sedert hun huwelijk in Parijs, de wedloop door een métrostation gevolgd.[3]
     ' Daarmee wil Kierkegaard niet zeggen dat we een ander meer zouden moeten liefhebben dan onszelf.[4]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]