fleemkous

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fleem·kous
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fleemkous fleemkousen
verkleinwoord fleemkousje fleemkousjes

Zelfstandig naamwoord

fleemkous m

  1. een slijmerd
    • Wat een fleemkous is die Jan toch... 

Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.