fleemkous

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fleem·kous
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fleemkous fleemkousen
verkleinwoord fleemkousje fleemkousjes

Zelfstandig naamwoord

fleemkous m

  1. een slijmerd
    • Wat een fleemkous is die Jan toch... 

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be