klemming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klem·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klemming klemmingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

klemming v [1]

  1. het beklemd raken
    • Hoe jonger de jobstudenten, des te groter het risico op ongevallen. Daarom stelt de vzw zich vragen bij de beslissing van de federale minister van Werk, Peter Vanvelthoven, om 16- en 17-jarige jobstudenten de toelating te geven voor de bediening van gemotoriseerde transpaletten met geringe hefhoogte. 'Dit zal geen aanleiding geven tot ernstige ongevallen, maar zeker en vast de frequente van het aantal lichte ongevallen (zoals klemming van tenen en vingers) verhogen.' [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen