omhelzing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·hel·zing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omhelzing omhelzingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

omhelzing v [1]

  1. de daad van het omhelzen
    • Eerst was er op het podium nog die laatste omhelzing met Lodewijk Asscher geweest – misschien wel het moeilijkste moment voor alle partijleden. Samsom die met gesloten ogen zijn kale, nu weerloze hoofd tegen Asschers rechterschouder drukt, Asscher die hem met één hand omklemt en met de geopende andere hand een verontschuldigend gebaar maakt: hier sta ik, ik kon niet anders. [2] 
     Haar juwelen rinkelden terwijl ze haar zachte, warme armen spreidde voor een langverwachte omhelzing die noodlot was en bestemming, en heel even giechelde ze omdat alles eindelijk logisch was.[3]
  2. (figuurlijk) het ergens mee eens zijn, het iets voor waar aannemen, iets accepteren
    • De hippiecultuur, punk, new wave, gabbers, grunge, mods, motorbendes en vooral de hiphop; allemaal zijn ze de inspiratie geweest voor mode die niet per se bedoeld was voor mensen uit die groep. Omhelzing door de modewereld is het begin van de acceptatie door de mainstream waartegen veel subculturen zich juist afzetten. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Frits Abrahams 11 december 2016
  3. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 21
  4. NRC Milou van Rossum 17 november 2016