omarming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

omarming
Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ar·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omarming omarmingen
verkleinwoord omarminkje omarminkjes

Zelfstandig naamwoord

omarming v [1]

  1. de daad van het omarmen
  2. het ergens mee eens zijn en het dan ook stimuleren
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen