broekklem
Uiterlijk
- broek·klem
- samenstelling van broek zn en klem zn
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | broekklem | broekklemmen |
| verkleinwoord | broekklemmetje | broekklemmetjes |
- (huishouden) klem die ervoor zorgt dat de vouw in een broek wordt behouden
- voorziening die voorkomt dat een broekspijp tussen de ketting en het voortandwiel van een fiets kan raken
- ▸ Taxi's, bestelbusjes, jongeren met e-sigaretten, mannen met een broekklem rond hun been.[2]
- Het woord broekklem staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ “Onder buren” (2021), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026356186