kistkalf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kistkalf
Uitspraak
Woordafbreking
  • kist·kalf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kistkalf kistkalveren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kistkalf o

  1. (veeteelt) (verouderd) kalf dat men vetmestte met volle melk in het donker in een klein hok, sinds 2004 is deze manier van dierhouderij verboden
    • De publieke opinie heeft voor de nodige veranderingen gezorgd sinds de jaren tachtig. Zo ligt 92 procent van de vleeskalveren tegenwoordig in groepsboxen - het beruchte kistkalf is vrijwel verdwenen. De biologische landbouw is nu honderd keer groter dan in 1991. De ammoniakemissie is gehalveerd sinds 1985 en het gebruik van bestrijdingsmiddelen is zelfs meer dan gehalveerd.[1] 
    • 'Tot vervelens toe moeten we uitleggen dat jagers geen bloeddorstige wezens zijn, geen seriemoordenaars, maar juist natuurliefhebbers met een groot verantwoordelijkheidsgevoel', zegt Roelf de Boer, oud-minister van Verkeer en Waterstaat en de kersverse voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging. 'Jager zijn is niet iets om je voor te schamen. Gelukkig beseffen steeds meer Nederlanders, zeker met Kerst, dat een haas die met een goed gericht schot is gedood een heel stuk minder zielig is dan een kistkalf of een plofkip.'[2]  
Hyperoniemen
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Kor Goutbeek 25 september 2007
  2. Volkskrant RIK NIJLAND 25 juni 2012