box

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • box
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord box boxen
verkleinwoord boxje boxjes

Zelfstandig naamwoord

box m

  1. een doos
  2. met name een kast met een of meer luidsprekers, een geluidsbox of luidsprekerbox
    • De boxen stonden nog op een hard volume. 
  3. een, vaak van hout gemaakt, min of meer vierkant meubelstuk omlijst door spijlen met een leuning erop waarin een baby of peuter veilig aanwezig kan zijn, een babybox
  4. deel van een grotere stal waarin één paard kan staan
  5. een berging horend bij één appartement van een appartementencomplex
  6. een van de drie categorieën van de inkomstenbelasting
    • In box 1 zitten de inkomsten uit loon, in Box 2 inkomsten uit een bedrijf en in Box 3 inkomsten uit vermogen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
box boxes

Zelfstandig naamwoord

box

  1. doos