kimmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kim·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kimmen
kimde
gekimd
zwak -d volledig

Werkwoord

kimmen

  1. overgankelijk, (scheepvaart) een schip met behulp van een paard voorttrekken
  2. overgankelijk, (scheepvaart) in het water: het op één kant liggen van een schip
  3. overgankelijk, (scheepvaart) op het droge: het voor werkzaamheden aan de romp op één kant trekken van een schip
  4. overgankelijk, (techniek), (verouderd) het maken van de naarbinnengerichte, schuine rand aan de boven- of onderkant van een houten vat of ton
Synoniemen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

kimmen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kim
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord kimme

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.