jus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Jus
Uitspraak
Woordafbreking
  • jus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jus -
verkleinwoord justje justjes

Zelfstandig naamwoord

jus m

  1. (voeding) (kookkunst) saus voor spijzen, bereid uit vleesnat [1]
    • Zuurkool met vette jus
      Soep vooraf, ja dat is mijn menu
      Kaantjes met bruine bonen
      Flink veel ei, niet van dat gewone
      Blokken kaas met mayonaise
      Warme friet en ook saucijzen
      Sperciebonen uit het vet
      Pap van brood, zo is het maar net
      (Sjef van Oekel)
       
  2. (drinken) jus d'orange, sinaasappelsap, appelsiensap
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief þu *jut jus
accusatief þuk igqis izwis
genitief þeina igqis izwara
datief þus igqara izwis

Persoonlijk voornaamwoord

jus

  1. jullie (nominatief van de tweede persoon meervoud)