jus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Jus
Uitspraak
Woordafbreking
  • jus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jus -
verkleinwoord justje justjes

Zelfstandig naamwoord

jus m

  1. (voeding) (kookkunst) saus voor spijzen, bereid uit vleesnat [1]
    Zuurkool met vette jus
    Soep vooraf, ja dat is mijn menu
    Kaantjes met bruine bonen
    Flink veel ei, niet van dat gewone
    Blokken kaas met mayonaise
    Warme friet en ook saucijzen
    Sperciebonen uit het vet
    Pap van brood, zo is het maar net
    (Sjef van Oekel)
  2. (drinken) jus d'orange, sinaasappelsap, appelsiensap
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief þu *jut jus
accusatief þuk igqis izwis
genitief þeina igqis izwara
datief þus igqara izwis

Persoonlijk voornaamwoord

jus

  1. jullie (nominatief van de tweede persoon meervoud)