majem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jem
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: water’ voor het eerst aangetroffen in 1885 [1]
  • Herkomst: Jiddisj [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord majem -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

majem v/m en o

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) water

Werkwoord

vervoeging van
majemen

majem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van majemen
    • Ik majem. 
  2. gebiedende wijs van majemen
    • Majem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van majemen
    • Majem je? 

Verwijzingen


Gangbaarheid

20 % van de Nederlanders;
10 % van de Vlamingen.