feesthoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

gezelschap met feesthoedjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·hoed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feesthoed feesthoeden
verkleinwoord feesthoedje feesthoedjes

Zelfstandig naamwoord

feesthoed m [1]

  1. kleurrijk hoedje dat je draagt op een feest
    • Maak feesthoedjes van papier en lint.[2] 
    • Eerder vandaag vierde de presentatrice met de meisjes haar verjaardag in een zwembad met feesthoedjes op. Nicolette liet gisteren al weten zich te verheugen op haar verjaardag. "Bijna 31. Happy."[3] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 06 jan. 2016
  3. de Telegraaf 14 aug. 2015
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be