gevest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

De bovenkant van een zwaard met bovenaan de ronde pommel, daaronder het gevest, daaronder de horizontale pareerstang, en daaronder de bovenkant van de kling
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·vest
enkelvoud meervoud
naamwoord gevest gevesten
verkleinwoord gevestje gevestjes

Zelfstandig naamwoord

gevest o

  1. handvat van een zwaard of een ander steekwapen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘handvat van blank wapen’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1]
  • vervoeging van vesten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt [2]

Werkwoord

vervoeging van
vesten

gevest

  1. voltooid deelwoord van vesten

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen