greep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • greep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord greep grepen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

greep

  1. m grijpende beweging om iets te omvatten, te bemachtigen
  2. m manier van aanvatten, hanteren
  3. m toevallige, willekeurige keuze
  4. m houvast, grip
  5. m/v de hoeveelheid die men in één keer kan grijpen
  6. m/v handvat
  7. m/v gereedschap waarmee men grijpt of steekt
    greep bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
grijpen

greep

  1. enkelvoud verleden tijd van grijpen
    Ik greep.
    Jij greep.
    Hij, zij, het greep.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl