schier
Uiterlijk
- schier
schier [2]
- op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
1.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schier | - |
| verkleinwoord | - | - |
Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord
schier [3]
- stuk hout
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | schier |
| verbogen | schiere |
| partitief | schiers |
Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord
schier [4]
- Het woord schier staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schier" herkend door:
| 94 % | van de Nederlanders; |
| 88 % | van de Vlamingen.[5] |
- 1 2 "schier" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ schier op website: Etymologiebank.nl
- ↑ schier op website: Etymologiebank.nl
- ↑ schier op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- schier
schier
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Niet met deze vorm in Woordenlijst Nederlandse Taal
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 94 %
- Prevalentie Vlaanderen 88 %
- Woorden in het Gronings
- Bijvoeglijk naamwoord in het Gronings