haasten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haas·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van haast ?? met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haasten
haastte
gehaast
zwak -t volledig

Werkwoord

haasten

  1. wederkerend trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
    • Hij haastte zich naar de deur. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.