spoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spoed
Woordherkomst en -opbouw
  • Verwant
Engels: speed
enkelvoud meervoud
naamwoord spoed
verkleinwoord spoedje spoedjes

Zelfstandig naamwoord

spoed m

  1. de noodzaak tot het maken van haast
    • Daar is spoed bij. 
  2. (techniek) de afstand tussen twee punten van een schroefdraad die verschillen door één omwenteling
    • Deze schroef heeft niet de juiste spoed en past dus niet. 
  3. de afdeling in een ziekenhuis waar patiënten die snel hulp nodig hebben behandeld worden
    • Hij werd onmiddellijk naar de spoed gebracht. 
    • Jaarlijks belanden 12.000 Nederlandse kinderen van 0 tot 14 jaar op de spoed na een ongeluk met een speeltoestel.[2] 
Verwante begrippen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
spoeden

spoed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoeden
    • Ik spoed. 
  2. gebiedende wijs van spoeden
    • Spoed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoeden
    • Spoed je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Goed Gevoel, 12.000 kinderen naar spoed na ongeval in speeltuin, 6 augustus 2008