rush

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rush
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rush rushes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rush m

  1. grote toeloop van mensen die anderen voor willen zijn bij het behalen van een voordeel of het afwenden van schade
    • Gisteren vond er een rush plaats op supermarkten en winkels. De bevolking sloeg massaal water en etenswaren, die niet aan bederf onderhevig zijn, in. [2]
  2. (sport) sneller dan anderen vooruit bewegen
    • Jeen hervatte zijn lange rush naar de werkelijke eindstreep, hij had maar weinig tijd verloren. [3]
    1. (balsport) met de bal snel vooruit rennen om zo een gelegenheid tot scoren te laten ontstaan
      • Makaay tikte de bal na een rush naast. [4]
    2. (paardrijden) sneller draven om een of meer andere deelnemers aan een wedstrijd in te halen of een voorsprong te vergroten
  3. drukte als gevolg van de snelle opeenvolging van zaken die aandacht vragen
    • Het is alsof het stilstaan bij de taal, het zich bezinnen op zijn poëzie-instrument Pieter Polanen de bezinning bracht waaraan hij in het dagelijks leven niet toe kwam. Daardoor brachten die momenten die we dan de ‘inspiratie’ noemen, lagen in hem boven die in de rush van alledag verborgen bleven. [5]
  4. overweldigende korte roes waarin men zich buitengewoon goed voelt
    • Tijdens zijn lessen aan de KUL maakt Tytgat zijn studenten duidelijk dat er twee drugs zijn waar je nooit, maar dan ook nooit mee mag experimenteren: "De ene is heroïne. Daar is het risico op verslaving immens groot. Iedereen gaat eronderdoor." Tytgat beaamt ook dat de initiële rush die je van heroïne krijgt 10 000 keer sterker is dan het meest intense orgasme. [6]
  5. (filmkunst) afdruk van stuk opgenomen filmmateriaal, zoals dat vroeger werd gebruikt voor het monteren
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse rysc.
enkelvoud meervoud
rush rushes

Zelfstandig naamwoord

rush

  1. drukte
  2. haast
vervoeging
onbepaalde wijs to  rush 
he/she/it  rushes 
verleden tijd  rushed 
voltooid
deelwoord
 rushed 
onvoltooid
deelwoord
 rushing 
gebiedende wijs  rush 

Werkwoord

rush

  1. zich haasten