grande

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gran·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grande grandes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

grande m

  1. (regering) iemand die behoort tot de machtigste mannen van een rijk
    • Het museo Correale is een paleisachtige villa, een adellijk bezit. Een van de grandes van het hof van de Bourbonnenkoning heeft er gewoond en schilderijen gekocht. [2]
    • "Eenheid van recht" woei van het admiraalsschip; "Vooruitgang" juichten alle sloepen. De grandes van Amsterdam II, Breukelen en Apeldoorn wedijverden in heilbeden, terwijl zij zee koos. Wel mocht de minister, die haar zoo zag henenzeilen, dankbaar en hoopvol lachen over zijn Armada, zijn Welbewapende. Wie zou haar keeren? [3]
  2. (adel) (Spanje, Portugal) titel voor hoogste adel
    • De hertog van Alva, één van dé grandes van Spanje, is meer geweest dan alleen maar landvoogd en duivel-in-persoon van de Nederlanden. [4]
    • Iedere grande van Spanje vormde zijne bende uit personen van rang; (…) [5]
Synoniemen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

grande

  1. vrouwelijk enkelvoud van grand


Italiaans

enkelvoud meervoud
mannelijk grande grandi
vrouwelijk grande grandi

Bijvoeglijk naamwoord

grande m

  1. groot
Antoniemen


Portugees

  enkelvoud meervoud
  mannelijk     grande     grandes  
  vrouwelijk     grande     grandes  

Bijvoeglijk naamwoord

grande

  1. groot


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈgɾan.de/
Woordafbreking
  • gran·de
enkelvoud meervoud
grande grandes

Zelfstandig naamwoord

grande m

  1. nobel, edele, persoon van adel
Synoniemen
  enkelvoud meervoud
mannelijk grande grandes
vrouwelijk grande grandes

Bijvoeglijk naamwoord

grande

  1. groot, danig, hevig
Synoniemen


Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

grande

  1. vocatief enkelvoud van grand