magnaat
Uiterlijk
- mag·naat
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iem. met veel invloed’ voor het eerst aangetroffen in 1780 [1]
- [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | magnaat | magnaten |
| verkleinwoord | magnaatje | magnaatjes |
- zeer rijk en daardoor invloedrijk persoon
- Het woord magnaat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "magnaat" herkend door:
| 92 % | van de Nederlanders; |
| 94 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "magnaat" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ magnaat op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 92 %
- Prevalentie Vlaanderen 94 %