danig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zeer, zeer groot’ voor het eerst aangetroffen in 1781 [1]
  • [2]
stellend
onverbogen danig
verbogen danige
partitief danigs

Bijvoeglijk naamwoord

danig

  1. in aanmerkelijke mate, buitengewoon
    • De verkoop liet een danige teruggang zien. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

danig

  1. in aanzienlijke mate
    • Hij was danig geschrokken van de verkoopcijfers. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen