Naar inhoud springen

ex

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: ex-
  • ex
enkelvoud meervoud
naamwoord ex exen
verkleinwoord exje exjes

deexv/m

  1. voormalige echtgenoot of geliefde
    • Mijn ex is gelukkig een goede vriendin van me gebleven. 
     Toen Paul een baan accepteerde in Minneapolis, waarvoor hij halverwege ons baantje als oppasser van exotische kippen terug moest naar Minnesota, bleef ik in Oregon en neukte met de ex van de eigenaresse van die kippen.[2]
     Met zijn ex kon hij echt lol hebben.[3]

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als voorzetsel.

ex

  1. (juridisch) zoals volgt uit
    • Ex artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek heb ik recht op schadevergoeding. 

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

ex

  1. niet inbegrepen, zonder
    • De prijs is 15 euro ex verzendkosten. 
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]

[A] ex m en v

  1. (spreektaal) ex-partner, ex
    «L’ex de mon ex, n’est pas tex ni mex.»
    De ex van mijn ex is geen Tex(aan) en ook geen Mex(icaan).[1]
  2. (spreektaal) oud-medewerker, voormalig personeelslid

[B] ex m

  1. (spreektaal) eindexamenklas met exacte vakken [1]

ex

  1. (spreektaal) experimenteel
    «Gérard, il kiffe les sciences ex
    Gérard is dol op experimentele wetenschap. [1]

ĕx + ablatief

  1. uit
    «Ex urbe.»
    Uit de stad.
  2. vanaf
  • Dit voorzetsel kan de volgende vormen aannemen: "ex" voor klinker of h; "e" voor alle medeklinkers behalve h.