experimenteel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·pe·ri·men·teel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘proefondervindelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van experiment met het achtervoegsel -eel [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen experimenteel experimenteler experimenteelst
verbogen experimentele experimentelere experimenteelste
partitief experimenteels experimentelers -

Bijvoeglijk naamwoord

experimenteel

  1. gemaakt om te experimenteren, met betrekking tot een proefneming
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen