argeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ge·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘onschuldig’ voor het eerst aangetroffen in 1794 [1]
  • afgeleid van arg (het kwade) met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e- [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen argeloos argelozer argeloost
verbogen argeloze argelozere argelooste
partitief argeloos argelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

argeloos [3]

  1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn, naïef, onschuldig
    • De argeloze klant liet zich een veel te duur abonnement aansmeren. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen