argeloos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ge·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen argeloos argelozer argeloost
verbogen argeloze argelozere argelooste
partitief argeloos argelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

argeloos

  1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn, naïef, onschuldig
    • De argeloze klant liet zich een veel te duur abonnement aansmeren. 
    argeloos bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen