aker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: åker
Een waterput met aker (2).


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aker
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘emmer’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1]
  • [1] leenwoord met als ontwikkelingsweg[2]:
Middelnederlands: (h)aker, eker «watervat, emmer»
Latijn: aquarium «watervat» (vgl. Frans: aiguière; évier)
Middelnederlands: aecker, aker, akeren o
Germaans: *akrana/*akarna
Indo-Europees: *h1éh3g-o- «bes»
  • Verwant in Germaans:
West: Afrikaans: akker, Engels: acorn (Angelsaksisch: æcern), Fries: aker
Noord: IJslands: akarn (Oudnoords: akarn)
Oost: Gotisch: akran o «vrucht»
  • Andere Indo-Europese talen:
Slavisch: Russisch: ягода «bes» (Proto-Slavisch: *(j)agoda)
Baltisch: Litouws: uoga «bes»
Keltisch: Iers: áirne «sleedoorn»
enkelvoud meervoud
naamwoord aker akers
verkleinwoord akertje akertjes

Zelfstandig naamwoord

aker m

  1. koperen of ijzeren emmertje, dat men aan een touw neerlaat om water te putten
    • Zonder aker kunnen we geen water uit de put halen. 
  2. (verouderd) eikel, vrucht van de eik
    • Akers zijn een belangrijk bestanddeel van de wintervoorraad van eekhoorns. 
  3. een soort kwastje, bedoeld als kledingversiersel
    • In de klederdracht van Marken zijn nog steeds akers te zien. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders
48 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • a·ker
Naar frequentie 60090

Werkwoord

aker

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van ake