braken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

brakende dronken vrouw
braken
Uitspraak
Woordafbreking
  • bra·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
braken
braakte
gebraakt
zwak -t volledig

Werkwoord

braken

  1. overgankelijk het verwijderen van voedsel en/of andere stoffen uit de maag via de mond en soms de neus.
    • Zij moest braken van die stinkende geur. 
  2. overgankelijk na het roten kneuzen of breken van vlas of hennep
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

braken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord braak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
breken

braken

  1. meervoud verleden tijd van breken
    • Wij braken. 
    • Jullie braken. 
    • Zij braken.