braken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bra·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
braken
braakte
gebraakt
zwak -t volledig

Werkwoord

braken

  1. (overgankelijk) het verwijderen van voedsel en/of andere stoffen uit de maag via de mond en soms de neus.
    Zij moest braken van die stinkende geur.
  2. (overgankelijk) na het roten kneuzen of breken van vlas of hennep
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie


Werkwoord

vervoeging van
breken

braken

  1. meervoud verleden tijd van breken
    Wij braken.
    Jullie braken.
    Zij braken.