geduw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·duw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geduw
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geduw o

  1. het elkaar duwen
    • - „Het verhaal over de betonschaar is een eigen leven gaan leiden”, zegt ook advocaat Raymond Frijns, die een 14-jarige verdachte bijstaat. Zijn cliënt zou tijdens de ruzie helemaal niet hebben geweten dat de mannen homoseksueel waren. „Niemand heeft het woord ‘homo’ in de mond genomen, dat blijkt althans niet uit de verklaringen van de verdachten”, zegt hij. Volgens zijn cliënt, die vrijwel direct na de ruzie werd aangehouden, begon het conflict met een opmerking over de twee ‘kapsalons’ (friet, vlees en kaas) die de slachtoffers aan het eten waren. „Toen één van de verdachten zei: „Mag ik daar een hapje van?” reageerde een van de slachtoffers daar boos op. De mannen kwamen agressief en dronken op mijn cliënt over.” Volgens Frijns was er eerst geduw en getrek en moest zijn cliënt na die eerste klap, uitgedeeld door de tegenpartij, ertussen springen omdat een van zijn vrienden het gevecht leek te verliezen.[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Freek Schravesande 6 april 2017