doden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doden
doodde
gedood
zwak -d volledig

Werkwoord

doden

  1. (overgankelijk) iemand van het leven beroven, vermoorden
    De vrouw werd op koelbloedige wijze gedood.
  2. de tijd doden: iets doen om je niet te vervelen
    In de wachtkamer van de arts liggen tijdschriften om de tijd te doden.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

doden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dode