doden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doden
doodde
gedood
zwak -d volledig

Werkwoord

doden

  1. overgankelijk iemand van het leven beroven, vermoorden
    • De vrouw werd op koelbloedige wijze gedood. 
  2. de tijd doden: iets doen om je niet te vervelen
    • In de wachtkamer van de arts liggen tijdschriften om de tijd te doden. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

doden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dode

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.