doder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·der
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van de werkwoordstam van doden met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord doder doders
verkleinwoord dodertje dodertjes

Zelfstandig naamwoord

doder m

  1. iemand die een levend wezen doodmaakt
    • De doder van het dier werd gearresteerd. 

Bijvoeglijk naamwoord

doder

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van dood

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.