del

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord del dellen
verkleinwoord delletje delletjes

Zelfstandig naamwoord

del v

  1. (scheldwoord) ordinaire vrouw, onkuise vrouw, een meisje van lichte zeden
    • Wat een del van een buurvrouw heb jij! 
  2. een kleine komvormige laagte of kuil, een duinvallei
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • del
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Nederduitse zelfstandige naamwoorden del en deil.

Werkwoord

del

  1. gebiedende wijs van dele

Zelfstandig naamwoord

del m

  1. deel, part
  2. component, gedeelte, onderdeel
  3. aandeel
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   del     delen     deler     delene  
genitief   dels     delens     delers     delenes  
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • del
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Nederduitse zelfstandige naamwoorden del en deil.

Werkwoord

del

  1. gebiedende wijs van dela

Werkwoord

del

  1. gebiedende wijs van dele
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

del m

  1. deel
  2. component, gedeelte, onderdeel
  3. aandeel
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   del     delen     delar     delane  
genitief                        
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • dele noko i to like eller ulike delar
iets in twee gelijke of verschillende delen delen


Welsh

Bijvoeglijk naamwoord

del

  1. mooi