dele

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·le

Zelfstandig naamwoord

dele

  1. datief enkelvoud van deel, archaïsche vorm die in enkele staande uitdrukkingen voorkomt
Uitdrukkingen en gezegden
  • ten dele
niet volledig, niet helemaal, voor een (klein) deel
De cursus Nederlands is maar ten dele een succes geworden.

Werkwoord

vervoeging van
delen

dele

  1. aanvoegende wijs van delen
    • Men dele dit bedrag door het aantal leden. 


Deens

Woordafbreking
  • de·le

Zelfstandig naamwoord

dele, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van del


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord deila, dat uit het Nederduits komt.
Naar frequentie 1215
vervoeging
onbepaalde wijs dele
tegenwoordige tijd deler
verleden tijd delte
voltooid
deelwoord
delt
onvoltooid
deelwoord
delende
lijdende vorm deles
gebiedende wijs del
vervoegingsklasse Klasse 2 zwak
opmerking

Werkwoord

dele

  1. overgankelijk delen, splitsen
    «Seks mann skulle dele et brød på 1.5 kilo, altså 250 gram til hver.»
    Zes man moet een brood van 1,5 kg delen, dus er is 250 gram per persoon.
  2. overgankelijk delen, verdelen
    «På en åttring med fire mann var det vanlig å dele fangsten i fem parter, en til hver av fiskerne og en til båten (eieren av båten).»
    Op een åttring (Noordlandboot met acht riemen) met vier mannen was het gebruikelijk de vangst in vijf delen te verdelen, één voor elk van de vissers en één voor de boot (voor de eigenaar van de boot).
  3. overgankelijk, (wiskunde) delen
    «18 delt på 6 er 3.»
    18 gedeeld door 6 is 3.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dele     delet     deler     dela
delene  
genitief   deles     delets     delers     delas
delenes  

Zelfstandig naamwoord

dele, o

  1. grenslinie, grensmarkering
  2. splitsing, V-splitsing, tweesprong, driesprong



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord deila, dat uit het Nederduitse komt.
vervoeging
onbepaalde wijs dele
dela
tegenwoordige tijd deler
verleden tijd delte
voltooid
deelwoord
delt
onvoltooid
deelwoord
delande
lijdende vorm delast
gebiedende wijs del
vervoegingsklasse Klasse 2 zwak
opmerking

Werkwoord

dele

  1. overgankelijk delen, splitsen
  2. overgankelijk delen, verdelen
  3. overgankelijk, (wiskunde) delen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Schrijfwijzen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dele     delet     dele     dela  

Zelfstandig naamwoord

dele, o

  1. grenslinie, grensmarkering
  2. splitsing, V-splitsing, tweesprong, driesprong