christen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

boek van een atheïst
Uitspraak
Woordafbreking
  • chris·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘belijder van de christelijke godsdienst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200 [1]
  • Ontleend aan het Latijnse christianus [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord christen christenen
verkleinwoord christentje christentjes

Zelfstandig naamwoord

christen m

  1. (religie) een belijder van de christelijke godsdienst
    • - De naam christen was oorspronkelijk een spotnaam.  [3]
    • - Paus Franciscus heeft zich in de Amerikaanse verkiezingsstrijd gemengd. De paus suggereerde na een bezoek aan Mexico dat de Republikein Donald Trump geen christen is. “Iemand die alleen aan muren bouwen denkt, waar dan ook, en niet aan het bouwen van bruggen, is geen christen”, zei de paus.[4] 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to christen
he/she/it christens
verleden tijd christened
voltooid
deelwoord
christened
onvoltooid
deelwoord
christening
gebiedende wijs christen

Werkwoord

christen

  1. dopen