heiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hei·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ongelovige’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord heiden heidenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

heiden m

  1. mensen die geen jood of christen zijn
  2. (verouderd) zigeuner
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

heiden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hei
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord heide
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
heien

heiden

  1. meervoud verleden tijd van heien
    • Wij heiden. 
    • Jullie heiden. 
    • Zij heiden. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen