antichrist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ti·christ
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord antichrist antichristen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

antichrist m [2]

  1. personificatie van alles wat vijandig aan het christendom is
  2. (religie) naam voor het apocalyptische wezen (eigenlijk den duivel zelf) dat vóór het einde der tijden op aarde zal verschijnen vanwege de naderende terugkeer van Jezus Christus om zijn Duizendjarig vredesrijk op aarde te vestigen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen