Naar inhoud springen

christelijk

Uit WikiWoordenboek
Christelijk gereformeerde kerk
  • chris·te·lijk
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen christelijkchristelijkerchristelijkst
verbogen christelijkechristelijkerechristelijkste
partitief christelijkschristelijkers-

christelijk

  1. (religie) te maken hebbend met het christendom, confessioneel, gelovig
    • Dat is een heel christelijk land. 
     Tegenover zijn zus maakt hij duidelijk dat hij ook het christelijk geloof achter zich laat, zijn moeder valt hij daarmee niet lastig.[1]
     Dat gold eveneens voor zijn werk over het christelijk huwelijk (Christiani matrimonii institutio, Leerboek voor een christelijk huwelijk, 1526).[2]
     Vroeger waren de jaarfeesten zeer talrijk. Feest, bij voorbeeld voor het terugkerende licht van de zon, begin van de lente, dank voor de oogst. Iets hiervan vinden wij terug in de bekende christelijke feesten.[3]
  2. (figuurlijk) fatsoenlijk, netjes
    • Ik wil wel afspreken op een christelijke tijd. 
  3. (figuurlijk) normaal, redelijk
    • Doe eens een beetje christelijk! 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Paul van Tongeren
    “Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529407
  2. Jan Bloemendal
    “Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312541
  3. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 7
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be