christelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Christelijk gereformeerde kerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • chris·te·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen christelijk christelijker christelijkst
verbogen christelijke christelijkere christelijkste
partitief christelijks christelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

christelijk

  1. te maken hebbend met het christendom en in het bijzonder het protestantisme, confessioneel, gelovig
    Dat is een heel christelijk land.
  2. (informeel) fatsoenlijk, netjes
    Ik wil wel afspreken op een christelijke tijd.
  3. normaal, redelijk
    Doe eens een beetje christelijk!
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie