aanvoerder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·voer·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvoerder aanvoerders
verkleinwoord aanvoerdertje aanvoerdertjes

Zelfstandig naamwoord

aanvoerder m

  1. een bevelhebber, een leider
    Ajax was de aanvoerder van de competitie. Waarschijnlijk zullen ze kampioen worden.
    Hij was de aanvoerder van het team.
Vertalingen

Meer informatie