aanvoerder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·voer·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvoerder aanvoerders
verkleinwoord aanvoerdertje aanvoerdertjes

Zelfstandig naamwoord

aanvoerder m

  1. een bevelhebber, een leider
    Ajax was de aanvoerder van de competitie. Waarschijnlijk zullen ze kampioen worden.
    Hij was de aanvoerder van het team.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen