uitblinker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·blin·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitblinker uitblinkers
verkleinwoord uitblinkertje uitblinkertjes

Zelfstandig naamwoord

uitblinker v

  1. (sport) (onderwijs) iemand of iets de heel erg goed is, iemand die beter is dan de rest
    • De uitblinker tijdens het zwemtournooi won alle wedstrijden. 
    • Hij was een uitblinker op school, hij was de enige cum laude zijn examen haalde. 
Synoniemen
  1. kanjer, topper, ster

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.