schoonbroer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon·broer
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zwager’ voor het eerst aangetroffen in 1555 [1]
  • afgeleid van broer met het voorvoegsel schoon-
enkelvoud meervoud
naamwoord schoonbroer schoonbroers
verkleinwoord schoonbroertje schoonbroertjes

Zelfstandig naamwoord

schoonbroer m

  1. (familie) de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen