oom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oom ooms
verkleinwoord oompje oompjes

Zelfstandig naamwoord

oom m

  1. (familie) broer of zwager van iemands vader of moeder
Synoniemen
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord oom ooms

Zelfstandig naamwoord

oom

  1. oom


Wolof

Zelfstandig naamwoord

oom

  1. knie