agenda

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
agenda

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • agen·da
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord agenda agenda's
verkleinwoord agendaatje agendaatjes

Zelfstandig naamwoord

agenda v/m

  1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    • Je moet nog een nieuwe agenda kopen. 
  2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    • We hebben vandaag een volle agenda. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
agenda agendas

Zelfstandig naamwoord

agenda

  1. agenda


Frans

Zelfstandig naamwoord

agenda m

  1. agenda
  2. schoolagenda


Spaans

enkelvoud meervoud
agenda agendas

Zelfstandig naamwoord

agenda v

  1. agenda

Werkwoord

vervoeging van
agendar

agenda

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van agendar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van agendar


Tsjechisch

Woordafbreking
  • agen·da
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn; agenda.

Zelfstandig naamwoord

agenda v

  1. agenda
Verbuiging
Synoniemen
Verwante begrippen


Verwijzingen