afsluitend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slui·tend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: afsluiten
verbogen vorm: afsluitende

áfsluitend

  1. onvoltooid deelwoord van afsluiten
  2. attributief gebruikt
    • Het geheel wordt bedekt met een afsluitend dekseltje van glas. 
    • In een goed afsluitende verpakking is ons produkt langer houdbaar. 
  3. bijwoordelijk gebruikt
    • Afsluitend werd nog genoten van een heerlijke maaltijd. 
    • Afsluitend zou ik willen zeggen dat ik vandaag genoten heb. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afsluitend afsluitender afsluitendst
verbogen afsluitende afsluitendere afsluitendste
partitief afsluitends afsluitenders -

Bijvoeglijk naamwoord

afslúítend

  1. het einde vormend
    • De renner kwam bij de afsluitende klim in het rondje ten val. 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen