sperren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sper·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sperren
sperde
gesperd
zwak -d volledig

Werkwoord

sperren

  1. wijd open zetten
    • De beide dieren sperren hun muil wijd open. 
  2. blokkeren, afsluiten
    • Twee vrachtauto's sperren de weg. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders
82 % van de Vlamingen.