aannemelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ne·me·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aannemelijk aannemelijker aannemelijkst
verbogen aannemelijke aannemelijkere aannemelijkste
partitief aannemelijks aannemelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

aannemelijk

  1. om aan te nemen
  2. waarschijnlijk, plausibel, geloofwaardig
    • Hoewel het best aannemelijk is dat hij de misdaad gepleegd zou kunnen hebben, is dat voor de rechter nog geen wettelijk en overtuigend bewijs. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.