aannemelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ne·me·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aannemelijk aannemelijker aannemelijkst
verbogen aannemelijke aannemelijkere aannemelijkste
partitief aannemelijks aannemelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

aannemelijk

  1. om aan te nemen
  2. waarschijnlijk, plausibel, geloofwaardig
    Hoewel het best aannemelijk is dat hij de misdaad gepleegd zou kunnen hebben, is dat voor de rechter nog geen wettelijk en overtuigend bewijs.
Antoniemen
Vertalingen