bewijzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wij·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van wijzen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewijzen
bewees
bewezen
klasse 1 volledig

Werkwoord

bewijzen

  1. (overgankelijk) aantonen; staven
    Kunt u die stelling bewijzen met cijfers.
  2. (inergatief) betuigen; een dienst bewijzen
  3. zich bewijzen: laten zien wat je kunt
    De nieuwe werknemer heeft zich in zijn proefperiode voldoende bewezen.
  4. zich bewijzen: laten zien dat iets nuttig is
    Computers hebben zich in de loop van de jaren wel bewezen.
Vertalingen


Zelfstandig naamwoord

bewijzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bewijs