benoemen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·noe·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van noemen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benoemen
benoemde
benoemd
zwak -d volledig

Werkwoord

benoemen

  1. (overgankelijk) ~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt
    Hij werd tot gouverneur benoemd.
  2. (overgankelijk) (taalkunde) ~ als vaststellen tot welke woordsoort een bepaald woord behoort
    Het woord "beter" in de zin "Een beter huis" wordt als een bijvoeglijk naamwoord benoemd.
Vertalingen