Naar inhoud springen

show

Uit WikiWoordenboek
  • show
  • Leenwoord uit het Engels[1]. In de betekenis van ‘voorstelling, tentoonstelling’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord show shows
verkleinwoord showtje showtjes

deshowm

  1. een onderhoudende presentatie.
    • Hij maakte er een hele show van. 
     Scheervlucht langs Neptunus is sluitstuk van Voyager-missie Jupiter was reusachtig, Saturnus was magistraal, Uranus was mysterieus, maar Neptunus lijkt toch de show te gaan stelen in de twaalf jaar durende ontdekkingsreis van de Amerikaanse planeetverkenner Voyager 2.[3]
     Ik kreeg de show van mijn leven.[4]
  2. uitvoering van een (klein)kunstwerk
     De show is vooral grappig door het beperkte wereldje van de personages en de onbenullige issues.[5]
    • De nieuwe show van de cabaretier was veel beter dan zijn vorige. 
     De waardering vanuit de show was bemoedigend.[5]
vervoeging van
showen

show

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van showen
    • Ik show. 
  2. gebiedende wijs van showen
    • Show! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van showen
    • Show je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
enkelvoud meervoud
show shows

show

  1. show
  2. vertoning
vervoeging
onbepaalde wijs to  show 
he/she/it  shows 
verleden tijd  showed 
voltooid
deelwoord
 showed 
 shown 
onvoltooid
deelwoord
 showing 
gebiedende wijs  show 

show

  1. overgankelijk tonen, vertonen
  2. overgankelijk aanwijzen
  3. overgankelijk aantonen, bewijzen