show

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • show
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord show shows
verkleinwoord showtje showtjes

Zelfstandig naamwoord

show m

  1. een onderhoudende presentatie.
    • Hij maakte er een hele show van. 
  2. uitvoering van een (klein)kunstwerk
    • De nieuwe show van de cabaretier was veel beter dan zijn vorige. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
show shows

Zelfstandig naamwoord

show

  1. show
  2. vertoning
vervoeging
onbepaalde wijs to show
he/she/it shows
verleden tijd showed
voltooid
deelwoord
showed
onvoltooid
deelwoord
showing
gebiedende wijs show

Werkwoord

show

  1. tonen
  2. vertonen
  3. aanwijzen
  4. bewijzen