sleutel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1]: Sleutels.
[2]: Een Engelse sleutel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sleu·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord sleutel sleutels
verkleinwoord sleuteltje sleuteltjes

Zelfstandig naamwoord

sleutel m

  1. een instrument waarmee een slot geopend of gesloten kan worden
    Als je je sleutel echt kwijt bent dan wordt het buiten slapen vannacht.
  2. (techniek), (gereedschap) een stuk gereedschap om bouten en moeren mee aan te draaien
    De moer is dolgedraaid, de sleutel heeft er geen grip meer op.
  3. (techniek) een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
    Achter de pendule ligt de sleutel om hem op te winden.
  4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(-schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    De sleutel die bij dit geheimschrift hoort, is nog niet gevonden.
  5. een aandeel of functie die in een groep van groot belang is
    Wij hebben er hard voor gewerkt, maar zij is de sleutel tot het succes.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (sleutel voor sloten)

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (sleutel voor moeren)

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (cryptografie)

Werkwoord

vervoeging van
sleutelen

sleutel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleutelen
    Ik sleutel.
  2. gebiedende wijs van sleutelen
    Sleutel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleutelen
    Sleutel je?