sluiten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- slui·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sluiten |
sloot |
gesloten |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
sluiten
- (overgankelijk) toedoen, dichtmaken
- We moeten deze weg sluiten voor het wegverkeer, anders gebeuren er ongelukken.
- een compromis ~: ondanks verschillen tot overeenkomst komen
- Zij hebben toch nog een compromis weten te sluiten.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Een overeenkomst sluiten.
Vertalingen
1. toedoen, dichtmaken