gezel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·zel
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gezel | gezellen |
| verkleinwoord | gezelletje | gezelletjes |
Zelfstandig naamwoord
gezel m
- makker, reisgenoot
- middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
- (beroep) handwerksman die als knecht onder een baas werkt
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.